MLIDD Online interactievormen (7)

Sinds kort volg ik een module digitale didactiek als onderdeel van de Master Leren Innoveren. Opzich maak ik tijdens de bijeenkomsten die ik met studenten heb vrij regelmatig gebruik van online materiaal die ik dan van YouTube, Vimeo of Ted.com pluk. Ook heb ik via WhatsApp, Facebook en Linkedin online contact met mijn studenten. Voor de studenten die ik op afstand begeleid, maak ik gebruik van FaceTime en Skype. Om naast de klassikale bijeenkomsten en bedrijfsbezoeken nog meer contact te hebben zou ik doormiddel van de module Digitale Didactiek, meer handvatten hebben om ook online te kunnen brainstormen, discussies voeren en interactie met het werkveld te hebben. Als dit goed gaat zou ik in de toekomst ook een verdere internationaliseringslag online willen maken met de studenten.

De didactische stappen zullen onderverdeeld worden in drie stappen. Instructie geven, proberen en leren en tot slot beoordelen.

Instructie geven
Er zal eerst instructie gegeven moeten worden aan de studenten. Daarbij horen:
• Het doel moet duidelijk zijn voor student en eventuele derden;
• De randvoorwaarden moet duidelijk zijn
o Brainstorm onderwerp t.b.v. het brainstormen
o Onderwerp of stelling t.b.v. discussie of interactie met het werkveld
o Duidelijk maken waar de online activiteit onderdeel van uit maakt, dit ten bate van de beoordeling
o Interactie van studenten onderling stimuleren
o Tijdspad vaststellen
• Er zal van iedere deelnemer online een foto beschikbaar moeten zijn om iedere deelnemer ‘een gezicht’ te geven
Bovenstaande is vrij vertaald uit het boek digitale didactiek van G.J.A. Baars hoofdstuk 2.3.

Ervaren en leren
Er is diverse literatuur verschenen waaruit blijkt dat leren in de toekomst in toenemender mate online zal gebeuren. Het klassikale onderwijs zal blijven bestaan, maar dan als practicum ruimte waarbij de student, samen met de docent, op ontdekkingsreis gaat naar de toepassing van de theorie. Flipping de Clasroom en de Khan Academie zijn daar voorbeelden van.
De student die deel gaat nemen aan de online technieken zal voorbereid worden op online evenementen die plaatse vinden in het bedrijfsleven. Denk aan webinars en webcasting. Organisaties zullen in de toekomst ook meer gaan dialogiseren (tweerichting verkeer) dan informeren (eenrichtingsverkeer). De student zal ervaren wat het is om online een reactie te geven of kennis te delen. Doordat in de meeste gevallen er geen gezichtsuitdrukkingen zichtbaar zijn, zal de student moeten leren om te gaan met ‘real time’ online interactie.
Tools die ingezet kunnen gaan worden:
Temviewer
Skype
HootCourse

Op dit moment heb ik echter gekozen om http://padlet.com te gaan gebruiken. Studenten kunnen middels korte stellingen flexibel op elkaar reageren. De reacties kunnen geclusterd worden. Tijdens een klassikalebijeenkomst kunnen de reacties en stellingen besproken worden.

Mocht u als lezer aanbevelingen hebben, dan hoor ik dat graag.

Beoordelen
Het beoordelen wordt nog ‘een hele kluif’. Als docent zit je tijdens een sessie niet bij de student en is er vertrouwen nodig dat de student zelf actief bij de sessie betrokken is. Ook al zie je dat de student online is, dan nog is het mogelijk dat de student passief betrokken is en tijdens de sessie meer gefocussed is op MTV, Facebook of andere activiteiten. Wat in mijn ogen altijd goed werkt is een reflectieverslag schrijven dat refereert aan de methode en de inhoud van een opdracht dat ‘lastig’ te beoordelen valt. Hier zit echter wel een crux, het aantal na te kijken verslagen zal met een online sessie toenemen. Ik nodig u als lezer dan ook graag uit om hierin mee te denken.

Bronnen die aan dit artikel ten grondslag liggen zijn:
Digitale didactiek
Kennisnet
Digitale Didactiek online
Het sociaal kapitaal

Dit bericht is geplaatst in Master, Master Leren & Innoveren. Bookmark de permalink.

2 Reacties op MLIDD Online interactievormen (7)

  1. Hans Bruggeman zegt:

    He Marco, dat ”dialogiseren” vind ik interessant, heb je daar een specifieke bron bij?

    • marco zegt:

      Dag Hans,

      Dat komt uit de bron ‘Het sociaal kapitaal’. De link heb ik onderaan de blog geplaatst.